Autorijles: Onder de motorkap
De voorbereidings en controlehandelingen zijn een
verplicht praktijkexamen onderdeel. Om je een beetje op weg te helpen staan
hieronder een aantal tekeningen. Op deze tekeningen staan de onderdelen die voor
jou van belang zijn. Let op: Per auto kunnen deze onderdelen op andere plaatsen
bevestigd zitten. Kijk daarom samen met je instructeur waar alles in de lesauto
zit.

1. Koelvloeistof
Het doorzichtige
koelvloeistofreservoir is voor controle voorzien van een minimum en maximum
aanduiding. Het koelvloeistofpeil kan alleen bij stilstaande motor juist worden
gecontroleerd. Als het koelvloeistofpeil tot bij de minimum markering is gedaald
moet er koelvloeistof worden bijgevuld. Eerst de motor laten afkoelen. Dan de
vuldop van het reservoir met een doek afdekken en de dop zover losdraaien dat de
aanwezige druk kan ontsnappen. Als de druk geheel weg is, dan pas de dop eraf
draaien. De voorgeschreven koelvloeistof nooit hoger dan de maximum markering
bijvullen. Daarna de vuldop weer stevig vastdraaien.
2. V-snaar
Controleer of de V-snaar niet te slap
hangt. Als de V-snaar te slap hangt, wordt de accu niet goed opgeladen. Op het
dashboard kan dan een controlelampje gaan branden.
3. Transmissieolie (alleen bij automaat)
De controle
van het oliepeil moet geschieden bij draaiende motor en de versnellingsbak moet
daarbij in de "P" stand staan. De peilstok heeft een minimum en maximum
aanduiding. Is het oliepeil tot onder de minimumaanduiding gezakt, dan moet er
bijgevuld worden.
4. Motorolie
Het is normaal dat de motor wat olie
verbruikt, daarom moet het oliepeil op gezette tijden worden gecontroleerd. Bij
het controleren moet de auto op een horizontaal vlak staan. Na het afzetten van
de motor een paar minuten wachten, zodat de motorolie in het carter kan
terugvloeien. Dan de oliepeilstok eruit trekken, met een schone doek afvegen en
de peilstok weer tot aan de aanslag erin duwen. De peilstok vervolgens weer
eruit trekken en het oliepeil aflezen. Zit er te weinig olie in, dan de
voorgeschreven motorolie in hoeveelheden van telkens maximaal 0,5 liter
bijvullen. Vervolgens het oliepeil met de peilstok opnieuw controleren.
5. Luchtfilter
Het luchtfilter zorgt er voor dat er
geen stof en andere rommel in de motor terecht komt. Het luchtfilter kun je
controleren door de kap van het luchtfilterhuis af te halen en te bekijken hoe
vuil het luchtfilter is.
6. Remvloeistof
Om goed te kunnen remmen is onder
andere voldoende remvloeistof nodig. Het vloeistofpeil moet altijd tussen de
minimum en maximum markering liggen. Een geringe daling van het peil ontstaat
door slijtage en automatische bijstelling van de remblokjes en de remvoering.
Dit is normaal, maar als het peil binnen korte tijd duidelijk zakt, of de
minimum markering komt kan het remsysteem lek zijn. Dit wordt door het branden
van het remcontrolelampje op het instrumentenpaneel aangegeven. U moet dit
onmiddellijk door vakkundige mensen laten
7. Ruitensproeivloeistof
Een ruitensproeier is
vooral tijdens het rijden onmisbaar voor het schoonhouden van de voor- en
achterruit. De meeste vloeistofreservoirs zijn doorzichtig zodat u gemakkelijk
kunt zien of er voldoende vloeistof aanwezig is. Het is verstandig om het water
te mengen met een ruitenschoonmaakmiddel en 's winters moet u voldoende
antivries of spiritus toevoegen.
8. Accu
De accu is een grote oplaadbare batterij die
je nodig hebt voor het starten van de motor. Tijdens het rijden wordt de accu
door een ronddraaiende dynamo steeds bijgeladen. Controleer of de accu goed vast
zit, de ontluchtingsgaatjes in de vuldopjes open zijn, de accupolen schoon zijn
en of het vloeistofpeil tussen de minimum en maximum markering staat. Als de
accuvloeistof onder de minimum markering is gedaald moeten de accucellen met
gedistilleerd water tot de maximum markering worden bijgevuld. Vuur, vonken,
onbeschermende verlichting en roken in de nabijheid van een accu is zeer
gevaarlijk in verband met het licht ontvlambare waterstofgas. Accu's altijd
buiten het bereik van kinderen
9. Stuurbekrachtigingolie
Auto's met
stuurbekrachtiging zijn voorzien van een reservoir met hydraulische olie. Voor
een goede werking van de bekrachtiging is voldoende van die olie nodig. De
controle mag alleen bij draaiende en bedrijfswarme motor gebeuren. Aan de
binnenzijde van de vuldop zit een peilstok. Het oliepeil moet altijd tussen de
minimum en maximum markering liggen. Als het oliepeil tot bij de minimum
markering is gedaald, moet de stuurbekrachtiging door vakkundige mensen worden
gecontroleerd.
10. Ruitenwissers
Een helder zicht is onontbeerlijk
om veilig te kunnen rijden. Controleer daarom de ruitenwissers op hun reinigende
werking. Controleer of de ruitenwisserbladen niet verhard of gescheurd zijn.
11. Verlichting
Je moet weten hoe de verlichting en
de richtingaanwijzers werken. Tijdens het praktijkexamen wordt hier om gevraagd.
Ook wordt de werking van de remlichten gecontroleerd.
12. Banden
Banden, ook de reserveband, mogen geen
beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is en mogen geen
uitstulpingen vertonen. De diepte van de hoofdgroeven moet minimaal 1.6 mm
bedragen. Binnengedrongen steentjes, glas en dergelijk uit het profiel
verwijderen en de banden niet in aanraking laten komen met olie, vet en
brandstof. Controleer regelmatig de bandenspanning, ook van de reserveband. De
bandenspanning kun je controleren bij een benzinestation. Een te lage
bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik, geeft extra slijtage aan de
banden en beïnvloed de wegligging ongunstig.
In het instructieboekje van de
auto staat de juiste bandenspanning. Alle ventielen moeten zijn voorzien van
ventieldopjes om te voorkomen dat zand en dergelijke in het ventiel komt. Let
ook op beschadigingen en scheuren in de velgen.
13. Schokbrekers
De schokbrekers kun je controleren
door de de auto aan de betreffende zijde in te duwen. Als de schokbrekers goed
zijn komt de auto gelijk weer terug, zonder na te deinen. Is de schokbreker met
olie gevuld, controleer dan de schokbreker op olie lekkage.
14. Uitlaat
Het uitlaatsysteem moet over de
gehele lengte gasdicht zijn. Er zijn wettelijke voorschriften omtrent de
geluidsproductie en de luchtverontreiniging.